Score
0%
Zet de werkwoorden in de tegenwoordige tijd en in de ik-vorm (de aangepaste stam).
1: zullen -
2: marchanderen -
3: blijven -
4: lijken -
5: dwingen -
6: heten -
7: dunken -
8: computeren -
9: verwachten -
10: trekken -
11: vertrekken -
12: verkopen -
13: betalen -
14: beginnen -
15: helpen -
16: sturen -
17: botsen -
18: starten -
19: rekenen -
20: ontleden -