Score
0%
Zet de werkwoorden in de tegenwoordige tijd en in de ik-vorm (de aangepaste stam).
1: schieten -
2: volgen -
3: ontbijten -
4: leggen -
5: beraden -
6: openen -
7: sluiten -
8: maken -
9: plassen -
10: breken -
11: verlagen -
12: vinden -
13: verminderen -
14: stampen -
15: fietsen -
16: verdwijnen -
17: kijken -
18: zien -
19: worden -
20: verdienen -