Score
0%
1: Dat is vorige week al (doen).
2: Dat is vorige maand al (gebeuren).
3: Ik ben naar de kapper (zijn).
4: Het is nooit (bewijzen) dat hij schuldig is.
5: Die ramen waren gelukkig niet (ingooien)
6: Mijn plantjes zijn helemaal (verdorren).
7: Het boek van een meisje uit b1m is (beschadigen).
8: De winkel is vanmorgen vroeg (sluiten).
9: Ik heb hem met zijn verjaardag (feliciteren).
10: Het water van die bloemen moet nog worden (verversen).