Score
0%
1: Oma heeft lekkere appeltaart (bakken).
2: De goede presentatie werd met een acht (belonen).
3: De leerlingen hadden dat al van Ibrahim (horen).
4: Het vliegtuig is veilig (landen).
5: In het vliegtuig wordt binnenkort misschien bellen (toestaan).
6: Zij heeft een prachtig gedicht (voordragen).
7: Die kom is (barsten).
8: Ik heb lekker (koken).
9: Die vraag had ik al (beantwoorden).
10: Ik heb per ongeluk een vaas (breken).