Score
0%
1: Ik ben door het oog van de naald (kruipen).
2: Ik heb uren (studeren) voor die test.
3: Ik heb uren (leren) voor het dictee.
4: Ik heb me dat voorval nooit (herinneren).
5: Zijn contract is vroegtijdig (beëindigen).
6: Hij was namelijk nog nooit op zijn werk (verschijnen).
7: Ik heb gisteren het laatste uur (gymmen).
8: Daar heb ik uren aan (werken).
9: Ik heb net even een uurtje (rusten).
10: Hij heeft gisteren erg veel (drinken).