Score
0%
1: Ik heb gisteren erg (genieten) op mijn trouwdag.
2: Ik ben gelukkig niet (struikelen)!
3: Ik ben wel tegen een van de gasten (botsen).
4: Die gast was gewoon (doorlopen).
5: Ik heb hem nog (zoeken).
6: Ik was namelijk nogal (schrikken).
7: Ik was namelijk best hard (vallen).
8: En dat moet hij hebben (weten).
9: gelukkig heb ik hem (herkennen).
10: Diezelfde avond heb ik hem nog een brief (schrijven).