Score
0%
1: Hij heeft de volgende dag zijn excuses (aanbieden).
2: De politie heeft de dader (aanhouden).
3: Ik heb hem mijn kentekenbewijs (geven).
4: En ik had het je nog zo (zeggen)!
5: Gelukkig heb ik nog nooit een ongeluk (veroorzaken).
6: Gisteren ben ik daar (zijn).
7: Ik heb dat maar zo (laten).
8: Zij heeft het helemaal (hebben) met hem.
9: Die oude man heeft vroeger in de bak (zitten).
10: Ik ben naar Afrika (reizen).