Score
0%
1: Gisteren was ik erg (haasten).
2: Ik wilde namelijk vroeg (lunchen) hebben.
3: Na de lunch ben ik nog even in het restaurant (blijven).
4: Daarna heb ik de hele afstand van het restaurant naar mijn werk (lopen).
5: Vorige week heb ik diezelfde afstand nog (rennen).
6: Ik was dan ook erg (verbazen) dat het zo lang duurde voordat ik er was.
7: Ik was er namelijk van (overtuigen) dat ik het in een kwartier zou kunnen lopen.
8: Ik raakte daardoor nogal (stressen).
9: Gelukkig werd ik onderweg niet (beroven).
10: Uiteindelijk ben ik niet zo heel laat (aankomen).