Score
0%
Vul de juiste vorm van worden in. Zet de werkwoorden in de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd, de persoonsvorm in de verleden tijd of gebruik het voltooid deelwoord.
1: Ik (hebben, tt) een kinderwagen gekocht.
2: Hij (hebben, tt) gisteren de babykamer geverfd.
3: Ilse (hebben, tt) een mooi handschrift.
4: Sanne en Boain (hebben, tt) zitplaatsen naast elkaar.
5: Ishan en Kubilay( hebben, tt) vakantie.
6: Ik (hebben, vt) graag meegewerkt aan de nieuwe spelling.
7: Hij (hebben, vt) altijd al een prachtige glimlach.
8: Dylan en Jeroen (hebben, vt) heel hard gewerkt.
9: (hebben, tt) jij genoeg eten (hebben)?
10: Ik (hebben, tt) het helemaal (hebben) met jullie!