Score
0%
1: Ik ben gisteren niet thuis (blijven).
2: Mijn vrienden hebben me om half negen (ophalen)
3: Ze waren helemaal naar Eindhoven (fietsen).
4: We zijn daarna naar de disco (gaan).
5: Ik heb gisteren in de disco (dansen)
6: Ik heb mijn spullen (verhuizen).
7: Vorige week had ik de kaartjes al (kopen)
8: De kaartjes voor deze disco zijn namelijk snel (uitverkopen).
9: Voor de kaartjes heb ik een maand (sparen).
10: Het was veel werk, maar ik had er ook hard voor (werken).