Score
0%
1: Zij is docent (worden).
2: Hij heeft jaren in een klooster (wonen).
3: Hij heeft daar met vele andere mensen (leven).
4: Ik ben naar mijn werk (fietsen).
5: Hij is door elkaar (rammelen).
6: Het hele huis is gisteren (stofzuigen).
7: De stofzuiger is vorige week door een meneer (maken).
8: Ik heb mijn score (verdubbelen).
9: Zo'n goede score had ik nog nooit (behalen).
10: Ik ben blij dat ik gisteren het spel van mijn broer heb (lenen).