Score
0%
Zet de werkwoorden in de tegenwoordige tijd en in de ik-vorm (de aangepaste stam).
1: lopen -
2: rennen -
3: braden -
4: lachen -
5: poetsen -
6: praten -
7: bewegen -
8: houden -
9: raden -
10: duwen -
11: ruiken -
12: proeven -
13: slaan -
14: koken -
15: bakken -
16: eten -
17: snoepen -
18: veranderen -
19: raken -
20: liegen -