Score
0%
1: Judith (maken) alle opdrachten in de les.
2: Jeroen en Raoul (kennen) alle woordjes.
3: Alicia en Manon (computeren) tijdens het laatste deel van de les.
4: Anne-Sophie en Nikki (willen) graag opdrachten op de computer maken.
5: Peter (snappen) de werkwoordspelling een maand geleden al.
6: Hij (vervelen) zich een beetje tijdens de les.
7: Er (gebeuren) gisteren erg veel in de les.
8: Glenn en Serkan (leveren) een boekje in.
9: De juf (glimlachen) vanmorgen naar de lieve leerlingen.
10: De hele klas (halen) een heel goed cijfer voor de test.