jufmelis.nl

Nederlands is niet moeilijk, gewoon even oefenen

print deze pagina

Uitleg werkwoordspelling

Het is belangrijk om eerst te bepalen of het werkwoord een pv (persoonsvorm) is. Daarna kijk je of de pv in de tegenwoordige tijd staat of in de verleden tijd.

Verleden tijd

Als de persoonsvorm in de verleden tijd staat dan kan het werkwoord zowel sterk als zwak zijn. De zwakke werkwoorden zijn regelmatig (rennen-rende), de sterke werkwoorden zijn anders dan de regel (lopen-liep). De sterke werkwoorden moet je 'gewoon' onthouden.


Voor de zwakke werkwoorden geldt:

  • stam + te(n)
  • stam + de(n)

Eerst pak je de stam en daar zet je -te of -de achter. Daarna kijk je of het werkwoord in het meervoud of het enkelvoud staat, bij meervoud zet je er een 'n' achter bij enkelvoud niet.

  • werkwoord: rennen
  • stam: ren
    • ik rende
    • wij renden

't kofschip (x)

Meestal weet je of de verleden tijd met -de(n) of -te(n) wordt geschreven. Als je het niet weet kun je 't kofschip (x) gebruiken.


Als de laatste letter van de stam in het 't kofschip staat -> te(n) in de verleden tijd


Als de laatste letter van de stam niet in 't kofschip staat -->de(n) in de verleden tijd


Voorbeeld:

  • werkwoord: rennen
  • stam:ren

de n staat niet in het kofschip

  • dus: rende(n)

Let op:

Sommige werkwoorden hebben letters die veranderen van een z in een s en van een v in een f! Je kijkt dan altijd naar de oude letter, ofwel: je maakt de stam door gewoon -en van het hele werkwoord af te halen.

Voorbeeld:

  • werkwoord: verhuizen
  • stam:verhuiz

de z staat niet in 't kofschip (x)

  • dus: verhuisde



Stam (ik-vorm)

de stam

de stam 1

de stam 2

de stam 3

de stam 4

de stam 5

de stam 6

de stam 7

de stam 8

de stam 9

de stam 10

de stam 11


Persoonsvorm TT

persoonsvorm TT ik

persoonsvorm TT ik 1

persoonsvorm TT ik 2

persoonsvorm TT ik 3

persoonsvorm TT ik 4

persoonsvorm TT ik 5 nieuw


persoonsvorm TT jij

persoonsvorm TT jij 1

persoonsvorm TT jij 2

persoonsvorm TT jij 3

persoonsvorm TT jij 4 nieuw

persoonsvorm TT jij 5 nieuw


persoonsvorm TT hij zij het

persoonsvorm TT hij zij het 1

persoonsvorm TT hij zij het 2

persoonsvorm TT hij zij het 3 nieuw

persoonsvorm TT hij zij het 4 nieuw

persoonsvorm TT hij zij het 5 nieuw


Gebiedende wijs

gebiedende wijs 1

gebiedende wijs 2 nieuw


pv tegenwoordige tijd enkelvoud

pv tt enkelvoud 1

pv tt enkelvoud 2

pv tt enkelvoud 3

pv tt enkelvoud 4

pv tt enkelvoud 5

pv tt enkelvoud 6

pv tt enkelvoud 7


pv tegenwoordige tijd door elkaar

pv tt door elkaar 1

pv tt door elkaar 2

pv tt door elkaar 3

pv tt door elkaar 4

pv tt door elkaar 5

pv tt door elkaar 6

pv tt door elkaar 7


Persoonsvorm VT

pv verleden tijd enkelvoud

pv vt enkelvoud 1

pv vt enkelvoud 2

pv vt enkelvoud 3

pv vt enkelvoud 4

pv vt enkelvoud 5

pv vt enkelvoud 6

pv vt enkelvoud 7


pv verleden tijd meervoud

pv vt meervoud 1

pv vt meervoud 2


pv verleden tijd door elkaar

pv vt door elkaar 1

pv vt door elkaar 2

pv vt door elkaar 3

pv vt door elkaar 4

pv vt door elkaar 5


Voltooid deelwoord

voltooid deelwoord

voltooid deelwoord 1

voltooid deelwoord 2

voltooid deelwoord 3

voltooid deelwoord 4

voltooid deelwoord 5

voltooid deelwoord 6

voltooid deelwoord 7

voltooid deelwoord 8

voltooid deelwoord 9

voltooid deelwoord 10

voltooid deelwoord 11

voltooid deelwoord 12


Persoonsvorm TT VT

Persoonsvorm TT en VT

Persoonsvorm TT en VT 1

Persoonsvorm TT en VT 2

Persoonsvorm TT en VT 3

Persoonsvorm TT en VT 4

Persoonsvorm TT en VT 5


Uitleg:

de stam

pv tegenwoordige tijd door elkaar

pv verleden tijd door elkaar

voltooid deelwoord