Score
0%
1: Wij (lunchen) in het park.
2: De konijnen (laten) we buiten spelen.
3: De gevangenen (verzetten) zich niet toen ze naar binnen moesten.
4: Piet, Henk en Paul (doen) de deksel weer op de put.
5: Ze studeerden wiskunde en (wonen) bij elkaar op de kamer, ze waren namelijk hartsvriendinnen.
6: Samen met Marjolein (hebben) we een inhaaltraject bedacht.
7: We (besteden) vroeger veel te weinig aandacht aan leerlingen met dyslexie, gelukkig is dat nu veranderd.
8: Alle klassen (zijn) naar het park gegaan.
9: We (vermoeden) gisteren dat de dader nog in Nederland was, vandaag denken we dat hij ook al in het buitenland zou kunnen zitten.
10: We (bloeden) beiden na die valpartij.