Score
0%
1: Er was ooit een voetballer die (spugen) naar een andere speler.
2: Diezelfde voetballer (plassen) wel eens tegen een boom.
3: De vakman (lassen) dat weer aan elkaar.
4: In vertrouwen (vertellen) de vrouw tegen de agent wat er was gebeurd.
5: Het (sneeuwen) dit jaar in maart.
6: Het kind (lusten) geen spruitjes.
7: Het oudere zusje (schreeuwen) dat ze ook geen spruitjes meer wilde hebben.
8: Een leerling (duwen) in de gang tegen een brugklasser.
9: Ik (rijden) gisteren op het paard van Sinterklaas.
10: Sinterklaas (willen) in december op zijn paard rijden.