Score
0%
1: Ik (lachen) naar die leuke man
2: Vroeger (rennen) ik ‘s morgens altijd door het park.
3: Ik (zuchten) toen ik aan het proefwerk dacht.
4: Piet (chanteren) Jan met zijn minnares.
5: Die leerling (computeren) vroeger iedere dag.
6: Met de computer (maken) ik altijd mijn geld over.
7: De kaars (branden) al de hele nacht.
8: Aan het eind van het jaar (worden) de docent door de leerling bedankt.
9: Joepie (zeuren) om eten, Joepie is een grote zwarte kater.
10: ’s Avonds (sneeuwen) het gisteren niet meer.