Score
0%
1: De slagroom (bederven) gisteren al in een paar uur.
2: Vorige maand (lopen) ik de Vierdaagse van Nijmegen.
3: Ik (beginnen) met hardlopen toen ik 15 jaar oud was.
4: Mark (komen) Piet tegen in Eindhoven.
5: (Staan) jij gisteren in het Eindhovens Dagblad?
6: (Zeggen) jij niet dat je van pindakaas hield?
7: Ik (blijken) de loterij gewonnen te hebben.
8: Simone (vallen) op door haar tien voor grammatica.
9: Gisteren (vinden) Jeroen een hele mooie steen.
10: Een paard (verdrinken) bijna toen het land onder was gelopen.