Score
0%
1: Het brood (moeten) door u in de vriezer worden gelegd.
2: Morgen (organiseren) het grappige meisje een groot feest.
3: (Denken) je aan het inleveren van je boekverslag?
4: (Coachen) je al lang het hockeyteam?
5: Shirley en Nagina (computeren) op dit moment.
6: De juf (controleren) dinsdag of al het huiswerk af is.
7: (Worden) jij zenuwachtig van de testweek?
8: Hij (barricaderen) de deur door er zware dingen tegen te zetten.
9: De politie (rijden) soms met zwaailichten.
10: Waarom (worden) je geen lid van de tennisclub?