Score
0%
1: De jongen (vinden) een T-bonesteak erg lekker.
2: Misschien (wassen) hij de auto's voor een goed doel.
3: Lara (kunnen) erg mooi tekenen.
4: Ik (ontleden) de zinnen uit het boek.
5: Barbara en Anne (schudden) die antwoorden zo uit hun mouw.
6: Wie (winnen) de spellingwedstrijd?
7: De jongen (condoleren) zijn vriend met zijn overleden oma.
8: Jeroen en Rolf (beantwoorden) alle vragen.
9: (Lopen) je graag door het park?
10: Hij (benijden) Louis van Gaal niet.