Score
0%
1: (Gaan) we morgen naar het festival?
2: Hij (protesteren) tegen het nieuwe wetsartikel.
3: Maria en Hans (zijn) nog nooit naar de zee geweest.
4: De auto van Mark (zullen) we gaan maken.
5: De auto van Mark (zullen) morgen worden gemaakt.
6: Deze zinnen (zijn) niet zo moeilijk.
7: Sarah en Piet (lachen) werkelijk om alles.
8: De mensen (vertrouwen) de paus.
9: (Melden) jullie dat ook bij de politie?
10: (Spellen) je deze woorden even voor me?