Score
0%
1: Jij (gaan) morgen naar de kapper.
2: Soms (willen) je gewoon even alleen zijn.
3: Volgende week (dansen) je in het theater.
4: Je (houden) van je man en kinderen.
5: (bewegen) jij altijd zo mooi op die muziek?
6: Je (branden) je vingers!
7: (computeren) je altijd zo veel?
8: Jij (worden) morgen door iedereen gefeliciteerd.
9: (concentreren) jij je nu maar op je werk!
10: (kunnen) je je goed concentreren?