Score
0%
1: Ik (zijn) begonnen met het schrijven van een boek.
2: Soms (willen) ik het liefst heel hard zingen.
3: Waarom (gaan) ik niet naar Amerika op vakantie?
4: Ik (hebben) erg veel honger.
5: (zullen) ik thee gaan zetten voor Hans?
6: Tijdens een voetbalwedstrijd (bijten) ik altijd mijn nagels af.
7: Ik (kunnen) erg goed woordjes leren.
8: Ik (verven) graag in de vakantie.
9: Morgen (verhuizen) ik naar een grotere woning.
10: Accommodatie (spellen) ik vaak fout.