Score
0%
1: Ik (computeren) erg graag!
2: Morgen (zullen) ik echt beginnen met mijn scriptie!
3: (worden) ik alweer gebeld?
4: Ik (telefoneren) erg veel!
5: Ik (steunen) de actie op de radio.
6: (doen) ik dat goed?
7: Met het schoolfeest (dragen) ik mijn nieuwe jurk.
8: Ik (gaan) boodschappen doen.
9: Ik (kennen) die jongen ergens van.
10: (kennen) ik jou ergens van?