Score
0%
1: Hij (geven) leiding aan een heel groot bedrijf.
2: Hij (leiden) dat bedrijf al jaren.
3: Het (gaan) erg goed met haar en haar familie.
4: Hij (zorgen) voor het inkomen.
5: Hij (zijn) huisman en zorgt voor de rest.
6: Hij (tuinieren) ook erg graag.
7: (vinden) hij dat ook leuk?
8: Nee, hij (houden) meer van sieraden maken.
9: Hij (klussen) ook graag in huis.
10: Het (regenen) namelijk erg vaak.