Score
0%
1: Hij (kijken) iedere dag op zijn blog.
2: Hij (wieden) de tuin.
3: Het (hagelen) morgen in ieder geval.
4: (worden) hij iedere dag dikker?
5: (houden) hij veel van zijn vriendin?
6: Hij (maken) wel veel ruzie met haar.
7: In week 4 (zullen) hij op stage gaan.
8: In de toekomst (worden) hij veel vaker gevraagd voor dit werk.
9: Hij (branden) zijn vingers aan de oven.
10: Hij (verbeelden) zich nogal veel.