Score
0%
1: Donderdagochtend (komen, vt) veel kinderen te laat op school.
2: Het (sneeuwen, vt) vorige week.
3: Veel kinderen (houden, tt) heel erg van sneeuw.
4: Vandaag (hagelen, vt) het ook heel even.
5: Morgen (willen, tt) ik graag gaan skiën.
6: (Mogen, tt) jij wel zo laat opblijven?
7: Ik (mogen, vt) dat vroeger niet.
8: (Hebben, tt) jij je boek al uit?
9: Veel docenten (lezen, tt) graag.
10: Vroeger (lezen, vt) ik veel meer.