Werkwoordspelling verleden tijd
Uitleg
Deze uitleg over de werkwoordspelling gaat over de verleden tijd. Lees eventueel eerst de uitleg werkwoordspelling tegenwoordige tijd.
Een persoonsvorm kan in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd staan. Voorbeelden van de verleden tijd:
- ik fiets - ik fietste
- hij rent - hij rende
- wij maken - wij maakten
- Monica loopt - Monica liep (onregelmatig)
Regelmatige werkwoorden of onregelmatige werkwoorden?
Als je de verleden tijd van een werkwoord wil weten, is het belangrijk dat je weet of het een regelmatig werkwoord is. Andere woorden voor regelmatige werkwoorden zijn:
- regelmatige werkwoorden
- zwakke werkwoorden
- klankvaste werkwoorden
Als Nederlands jouw eerste taal is, dan weet je dit vaak zonder te leren. Als Nederlands niet jouw eerste taal is, dan moet je dit vaak uit je hoofd leren.
De regels van de verleden tijd van regelmatige werkwoorden
Er zijn regels voor de verleden tijd van regelmatige werkwoorden. Als de persoonsvorm van een regelmatig werkwoord in de verleden tijd staat, dan gebruik je +te(n) of +de(n).
- enkelvoud: stam +te, stam +de
- rennen- ik rende
- fietsen - hij fietste
- meervoud: stam +ten, stam +den
- rennen - wij renden
- fietsen - wij fietsten
Eerst pak je dus de stam (ik-vorm) en daar zet je +te of +de achter. Daarna kijk je of het werkwoord in het meervoud of het enkelvoud staat, bij meervoud zet je er ook nog een 'n' achter.
Vind jij het moeilijk om de stam te maken? Oefen hier met het maken van de stam van het werkwoord. Je kunt ook de uitleg over de stam lezen.
Lees verder over 't kofschip of probeer eerst de oefeningen te maken: Maak nu de oefeningen van de werkwoordspelling in de verleden tijd.
't kofschip (x)
Moet ik de verleden tijd met -te(n) of -de(n) schrijven?
Meestal weet je of de verleden tijd met -de(n) of -te(n) wordt geschreven. Als je het niet weet, kun je 't kofschip (x) gebruiken. Andere woorden voor 't kofschip zijn: sexy fokschaap of fokschaapshit of softketchup.
Let op: gebruik 't kofschip alleen als je het nodig hebt. Meestal heb je 't kofschip namelijk helemaal niet nodig.
De regel van 't kofschip (x):
- Als de laatste letter van de stam wel in 't kofschip staat: +te(n) in de verleden tijd
- Als de laatste letter van de stam niet in 't kofschip staat: +de(n) in de verleden tijd
- werkwoord: fietsen, stam: fiets
- de laatste letter is een 's'
- de 's' staat wel in 't kofschip, dus een 't', +te(n)
- dus: ik fietste, wij fietsten
- werkwoord: rennen, stam: ren
- de laatste letter is een 'n'
- de 'n' staat niet in 't kofschip, dus een 'd', +de(n)
- dus: hij rende, wij renden
Veranderletters
Sommige werkwoorden hebben veranderletters, dat zijn letters die veranderen zoals de 'z' en de 'v'.
- verven - ik verf
- verhuizen - ik verhuis
Als er in een werkwoord zo'n veranderletter staat en je gaat de regel van 't kofschipgebruiken, dan kijk je naar de oude letter. Je kunt ook het hele werkwoord gebruiken en daar -en afhalen.
Voorbeeld: het werkwoord verhuizen
- verhuizen - ik verhuis
- de oude letter is een 'z'
- de 'z' staat niet in 't kofschip, dus een 'd', +de(n)
- verhuizen-en: verhuiz
- de laatste letter is een 'z'
- de 'z' staat niet in 't kofschip, dus een 'd', +de(n)
- dus: ik verhuisde, wij verhuisden
Let op: vaak hoor je of het werkwoord in de verleden tijd op eindigt op -te of -de, dan hoef je 't kofschip niet te gebruiken.
Je kunt ook de uitleg over het voltooid deelwoord lezen.
Veelgemaakte dt-fouten
Er worden heel erg veel fouten gemaakt bij het toepassen van de werkwoordspelling. Ik zet hier drie problemen onder elkaar met de linkjes naar de oefeningen. Bij alle oefeningen staat ook uitleg.
Probleem 1: Je weet helemaal niet of een woord een persoonsvorm is of een voltooid deelwoord. Als je de verleden tijd wil gebruiken, dan moet het woord wel een persoonsvorm zijn.
- Is het werkwoord een persoonsvorm?
Probleem 2: Je gebruikt de regels van de verleden tijd, maar het werkwoord staat niet in de verleden tijd.
- Staat de persoonsvorm in de verleden tijd?
Probleem 3: Je wil de regels van de verleden tijd toepassen, maar je weet niet of het werkwoord wel een regelmatig werkwoord is.
- Is het werkwoord een regelmatig werkwoord?
- voor onregelmatige werkwoorden gelden geen regels, je moet ze uit je hoofd leren