Scheidbare werkwoorden
Uitleg
We hebben veel scheidbare werkwoorden in de Nederlandse taal. Een scheidbaar werkwoord is een werkwoord dat ‘gescheiden’ wordt als je het vervoegt.
- afwassen - Ik was de borden af.
- samenwonen - Ik woon met mijn man samen.
- ophangen - Ik hang het schilderij op.
Er zijn drie woorden voor scheidbare werkwoorden:
- scheidbare werkwoorden
- separabele verba
- splitsbare werkwoorden
Start direct met het oefenen van het scheidbare werkwoord
Wil je meteen oefenen?
Oefen dan direct scheidbare werkwoorden in de tegenwoordige tijd, scheidbare werkwoorden in de verleden tijd en het voltooid deelwoord van een scheidbaar werkwoord.
Hoe weet je of het werkwoord een scheidbaar werkwoord is?
Als een werkwoord begint met een stukje lijkt op een voorzetsel (op, af, in), dan is het werkwoord vaak een scheidbaar werkwoord. Let op: dit is niet altijd zo! Dat 'stukje' van het scheidbare werkwoord wordt vaak een partikel genoemd.
Voorbeelden van scheidbare werkwoorden:
- opbellen
- afruimen
- voorstellen
- samenwonen
- pianospelen
Het voltooid deelwoord van een scheidbaar werkwoord
De uitleg over gewone voltooid deelwoorden kun je hier lezen.
Een voltooid deelwoord van een scheidbaar werkwoord is een klein beetje anders. Kijk maar naar de voorbeelden. Zie je de plaats van het losse stukje (het partikel)? Het staat helemaal vooraan en ‘ge’ staat in het midden.
- opstaan - Ik ben vroeg opgestaan.
- afzeggen. - Ik zeg de afspraak af. - Ik heb de afspraak afgezegd.
- invullen - Ik heb dat formulier ingevuld.
- afruimen – Ik heb de tafel afgeruimd.