Score
0%
1: Madelief en Marjolein zijn twee (m...sjes) en ze zaten in de (tr...n).
2: Een andere (r...ziger) zei tegen ze dat alle vogels in (m...) een (...) leggen.
3: De (m...den) (z...den) dat ze meer van (...sjes) houden dan van (...eren).
4: De (m...sjes) waren onderweg naar een (wedstr...d) schieten met (p...l) en boog.
5: Ze waren werkelijk erg zenuwachtig en ze (tw...felden) of ze wel op tijd zouden komen.
6: De (tr...n) had (namel...k) vertraging door een groot (karw...) aan het spoor.
7: Ze waren de rails aan het (r...nigen) en dat was (werkel...k) een hele klus.
8: Naar (aanl...ding) van het feit dat ze dus misschien te laat zouden komen, belden ze naar hun coach.
9: Gelukkig (z...) hij dat het niet zo erg was, (h...) was toch nog aan het wachten op een nieuw (tap...t) voor de (wedstr...dhal).
10: De meisjes waren erg opgelucht en (bl...) en gingen (vl...tig) (br...en) in de trein.