Score
0%
1: Het boek van Philip (li...t) op de tafel.
2: Stef doet het (li...t) aan.
3: Koen (la...t) om een grapje van zijn buurman.
4: Vandaag was er niemand (afwezi...).
5: Het (to...t) gelukkig niet in de school.
6: Ik vond het gisteren (to...) erg koud in het lokaal.
7: Die jongen is erg (nieuws...ierig).
8: Dat meisje is erg (aanwezi...) in de klas.
9: Jij hebt ook altijd (pe...)!
10: Ik ben niet zo dol op zoet (bele...).