Score
0%
1: Aurora was de (...teur) van het boek een (...reool) van braafheid en woonde vanaf (...gustus) in Australië.
2: Ze hield heel erg van (r...we) (...gurk) en (l...we) (s...cijzenbroodjes).
3: Ook (kabelj...w) met een (s...sje) van (l...rier) en (...bergine) vond ze erg lekker.
4: Soms was Aurora een beetje chagrijnig en (fl...w), dan ging ze de hele dag (sn...wen) en (w...welen).
5: Ze had wel eens gehoord dat ze geen mooie (...ra) had, dat kwam doordat ze (fr...de) had gepleegd.
6: Als huisdier had ze een (mi...wende) kat met grote (kl...wen), een (p...w) met (bl...we) veren en een mooie (k...w).
7: Maura was haar dochter, ze was (...tistisch) en ze had dyslexie.
8: Door de dyslexie had ze moeite met (...tomatiseren), ze kon wel heel (n...wkeurig) werken.
9: Maura kon ook prachtig zingen, ze deed op school tijdens de (p...ze) een (...ditie) voor een musical.
10: Na afloop van de (...ditie) ging ze samen met haar moeder in het (gerest...reerde) (rest...rant) eten.