Score
0%
Vul het juiste lidwoord in. Kies uit ‘de’ of ‘het’.
1: kat loopt over de tafel.
2: beer slaapt in de winter.
3: konijn houdt van wortels.
4: egel zit in tuin.
5: paard krijgt een veulen.
6: krokodil zit onder het bed.
7: aap komt uit de mouw.
8: hond loopt achter de jongen aan.
9: tijger rent heel erg hard.
10: zalm zit al in de oven.