Score
0%
Klik op de woorden om ze te selecteren. Ze worden dan geel. Als na controle de hele zin goed is, worden ze groen.
1: Er was eens een zenuwachtige brugklasser...
2: Hij zou morgen naar zijn nieuwe school gaan en hij had zijn nieuwe rugzak volgestopt met mooie spullen.
3: Hij nam heel veel mee: een grote tas, een blauwe pen, een rode pen, een potlood, een klein gummetje en een gloednieuw rekenmachientje.
4: Ook nam hij dikke woordenboeken mee en grote schriften met grappige voorkanten.
5: Die ochtend was hij al vroeg wakker, hij pakte zijn enorme rugzak en ging naar zijn nieuwe school.
6: De enthousiaste brugger was zo vroeg op school dat er nog niemand was.
7: Er waren geen kwebbelende brugklassers, geen grote jongens, geen stoere meiden, geen vriendelijke conciërges en geen aardige leraren. Er was helemaal niemand!
8: Hij leunde rustig op zijn blauwe fiets tegen het hek. Hij wachtte, wachtte en wachtte...
9: Hij keek naar het mooie en grote gebouw en hij voelde zich eindelijk een echte brugklasser.
10: Hij hoorde in de verte de vroege kerkklokken luiden en hij schrok: HIJ WAS EEN DAG TE VROEG!!!