Betrekkelijk voornaamwoord: betr. vnw.
De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die en dat.
Andere betrekkelijke voornaamwoorden zijn: wie, wat, hetgeen en welk(e).
Een betrekkelijk voornaamwoord heeft betrekking op (verwijst naar) een woord dat er vlak voor staat (of woorden die er vlak voor staan) . Betrekkelijke voornaamwoorden staan aan het begin van een bijvoeglijke bijzin.
Voorbeelden:
- Het boek dat ik van juf Melis heb gekregen. (dat verwijst naar het boek)
- De verhalen die ik voor Nederlands moest schrijven. (die verwijst naar de verhalen)
- Hij is iemand, wie ik zoiets nooit zou toevertrouwen.
- Dat is alles, wat ik wilde zeggen.
Dat wordt gebruikt bij het-woorden.
Die wordt gebruikt bij de-woorden.
Let op: De woorden die en dat kunnen zowel betrekkelijk voornaamwoord als aanwijzend voornaamwoord zijn. Een aanwijzend vnw. staat voor het zelfstandig naamwoorden (die kast) het betrekkelijk vnw. staat achter het zelfstandig naamwoord.

