Score
0%
1: Het water was bevroren. Het (bevriezen) water.
2: We hebben uren geschaatst. De (schaatsen) uren.
3: Sarah had nieuwe schaatsen gekocht. De (kopen) schaatsen.
4: De schaatsen waren ook geslepen. De (slijpen) schaatsen.
5: Het ijs was wel een beetje gebarsten. Het (barsten) ijs.
6: Sarah heeft toen haar enkel verzwikt. De (verzwikken) enkel.
7: De enkel is verbonden door een aardige meneer. De (verbinden) enkel.
8: Sarah dacht dat haar enkel gekneusd was. De (kneuzen) enkel.
9: Helaas bleek de enkel gebroken te zijn. De (breken) enkel.
10: Van de enkel zijn foto's gemaakt. De (maken) foto's.