Score
0%
Eerst geef je de persoonsvorm (pv) aan, daar komt dan een streepje onder te staan. Daarna klik je op de plaatsen waar een zinsdeelstreepje moet komen te staan. Vervolgens geef je het werkwoordelijk gezegde (wwg) aan, het onderwerp (ow) en vervolgens het lijden voorwerp (lv). Let op: niet in alle zinnen staat een lijdend voorwerp.
1: Ik geef een cadeau.
2: Morgen ga ik naar de markt.
3: Piet en Jan eten pindakaas.
4: Alle leerlingen hebben een aantekeningenschrift.
5: Wil jij mij even optillen?