jufmelis.nl

Nederlands is niet moeilijk, gewoon even oefenen

Het wederkerend voornaamwoord: wederkerend vnw.

Het wederkerend voornaamwoord komt alleen voor in combinatie met een wederkerend werkwoord. Voorbeelden van wederkerende werkwoorden: zich schamen, zich ergeren, zich vergissen. Het zijn dus werkwoorden in combinatie met het woordje zich.

Het wederkerende voornaamwoord is eigenlijk dat woordje 'zich'. Het wederkerende vnw. verwijst naar de persoon die het onderwerp is. Het onderwerp komt nog een keer in een andere vorm terug.


In het onderstaande schema staan de wederkerende vnw. met daarachter een voorbeeldzin:

Enkelvoud
Eerste persoon me ik schaam me
Tweede persoon je jij schaamt je
u u schaamt u (zich)
Derde Persoon zich hij/zij/het schaamt zich
     
Meervoud
Eerste persoon ons wij schamen ons
Tweede persoon je jullie schamen je
u u schaamt u (zich)
Derde Persoon zich zij schamen zich


Voorbeelden:

  • Ik erger me.
  • Jij ergert je.
  • U ergert u (zich).
  • Hij/zij/het ergert zich.
  • Wij ergeren ons.
  • Jullie ergeren je.
  • Zij ergeren zich.

Tip: Om het wederkerende voornaamwoord in een zin te vinden, bestaat een handig trucje. Als je de zin in de derde persoon enkelvoud zet (de hij-vorm) dan verandert het wederkerend voornaamwoord in 'zich' en dat is wel makkelijk te herkennen.
Dus: Ik verveel me. wordt dan: Hij verveelt zich.



Uitleg:

Copyright © jufmelis.nl 2008-2012. Alle rechten voorbehouden.