jufmelis.nl

Nederlands is niet moeilijk, gewoon even oefenen

Het persoonlijk voornaamwoord: pers. vnw

Het persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.


Alle woorden die persoonlijke voornaamwoord kunnen zijn, staan in het schema:

Onderwerpsvorm Voorwerpsvorm
Enkelvoud
Eerste persoon ik mij (me)
Tweede persoon jij (je) jou (je)
u u
Derde persoon hij hem
zij (ze) haar
het het
     
Meervoud
Eerste persoon wij (we) ons
Tweede persoon jullie jullie
U U
Derde persoon zij (ze) hun, hen, ze

Uitleg over het schema:

Eerste persoon: dat ben je zelf (enkelvoud) of de groep waar je bij hoort (meervoud).
Tweede persoon: dat is de persoon (ev) of de personen(mv) tegen wie je spreekt.
Derde persoon: dat is de persoon (ev) of dat zijn de personen (mv) over wie je spreekt.


Onderwerpsvorm: deze woorden worden in een zin als onderwerp gebruikt.
Voorwerpsvorm: deze woorden worden in een zin als lijdend voorwerp of als meewerkend voorwerp gebruikt.


Voorbeelden:

  • Ik ga naar jou.
  • Jij gaat naar hem.
  • Hij gaat naar haar.

  • Wij gaan naar jullie.
  • Jullie gaan naar ons.
  • Zij gaan naar hen.
  • Ik geef hun het cadeau.
  • Ik geef de werkboeken aan hen.

Let op:
'Het' kan dus ook pers. vnw. zijn! (het is alleen pers.vnw als het een apart zinsdeel is en je het door 'dat' kunt vervangen
'Hun' kan niet in de zin als onderwerp worden gebruikt! Ze gaan (en dus niet: 'Hun...')



Lidwoorden

Zelfstandig naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

Voorzetsels

Werkwoorden

Zelfstandige Werkwoorden

Hulpwerkwoorden

Persoonlijk voornaamwoord

Bezittelijk voornaamwoord

Wederkerend voornaamwoord

Wederkerig voornaamwoord

Vragend voornaamwoord

Aanwijzend Voornaamwoord

Betrekkelijk Voornaamwoord

Onbepaald Voornaamwoord

Bijwoord

Uitleg:

Copyright © jufmelis.nl 2008-2014. Alle rechten voorbehouden.