Uitleg werkwoordspelling
Het is belangrijk om eerst te bepalen of het werkwoord een pv (persoonsvorm) is. Daarna kijk je of de pv in de tegenwoordige tijd staat of in de verleden tijd.
Verleden tijd
Als de persoonsvorm in de verleden tijd staat dan kan het werkwoord zowel sterk als zwak zijn. De zwakke werkwoorden zijn regelmatig (rennen-rende), de sterke werkwoorden zijn anders dan de regel (lopen-liep). De sterke werkwoorden moet je 'gewoon' onthouden.
Voor de zwakke werkwoorden geldt:
- stam + te(n)
- stam + de(n)
Eerst pak je de stam en daar zet je -te of -de achter. Daarna kijk je of het werkwoord in het meervoud of het enkelvoud staat, bij meervoud zet je er een 'n' achter bij enkelvoud niet.
- werkwoord: rennen
- stam: ren
- ik rende
- wij renden
't kofschip (x)
Meestal weet je of de verleden tijd met -de(n) of -te(n) wordt geschreven. Als je het niet weet kun je 't kofschip (x) gebruiken.
Voorbeeld:
- werkwoord: rennen
- stam:ren
de n staat niet in het kofschip
- dus: rende(n)
Let op:
Sommige werkwoorden hebben letters die veranderen van een z in een s en van een v in een f! Je kijkt dan altijd naar de oude letter, ofwel: je maakt de stam door gewoon -en van het hele werkwoord af te halen.
Voorbeeld:
- werkwoord: verhuizen
- stam:verhuiz
de z staat niet in 't kofschip (x)
- dus: verhuisde

