Score
0%
1: (mailen) je me vanavond?
2: Jij (rijden) vaak in het donker door het bos.
3: (sluiten) jij de deuren en ramen?
4: Jij (vervelen) je altijd erg snel.
5: (zoeken) jij soms iets?
6: (snuiten) jij je neus eens!
7: (bidden) jij voor je moeder?
8: Jij (glijden) wel heel snel van de glijbaan.
9: (worden) jij ook zo moe van al die oefeningen?
10: (mopperen) jij vaak in de ochtend?