Score
0%
1: Wanneer ik naar de stad (gaan), neem ik altijd een rugzak mee.
2: Ik (zien) je morgen!
3: Wat (zullen) ik gaan doen?
4: Ik (maken) mijn huiswerk altijd direct na schooltijd.
5: ’s Morgens (moeten) ik altijd even goed wakker worden.
6: Ik (fotograferen) graag dieren.
7: Ik (uploaden) die bestanden morgen wel.
8: ‘s Avonds (zitten) ik graag achter de computer.
9: Ik (gamen) erg graag.
10: Soms (computeren) ik zelfs midden in de nacht.