Score
0%
1: De kinderen (praten, vt) door de les.
2: Alle leerlingen (praten, tt) door elkaar heen.
3: Als de kat van huis is, (dansen, tt) de muizen op tafel.
4: (worden, tt) jij nooit gek van hem?
5: Ik (corrigeren, vt) al het examenwerk in twee dagen.
6: Rebecca en Michelle (fietsen, vt) samen naar school.
7: Robin (fietsen, tt) ook altijd samen met een vriendin naar school.
8: Onderweg (luisteren, tt) sommige kinderen muziek op een mp3-speler.
9: (weten, vt) je dat je daar gehoorschade van kunt krijgen?
10: Het meisje (rijden, vt) door rood licht.