Score
0%
1: Vandaag (blijven, tt) Richard thuis.
2: Hij (worden, tt) meestal opgehaald om acht uur.
3: Vroeger (worden, vt) ik eerder opgehaald.
4: Ik (zijn, tt) altijd op tijd op school.
5: Britt (zijn, tt) ook altijd op tijd op school.
6: Koen (kopen, vt) vorige week een nieuw schrift.
7: Alle leerlingen van de klas (leren, vt) erg hard.
8: Melissa (stampen, vt) alle woorden in haar hoofd.
9: Claire (maken, vt) zinnen met de woorden.
10: Pieter (kennen, vt) de woorden vrijdag al.